Het was bijzonder donker die avond. De wolken verduisterden de sterren en de maan en de weg was nauwelijks verlicht. Een eenzame auto reed langs de verlaten landweg. Aan het stuur zat een man van middelbare leeftijd. Het was laat geworden, veel te laat, vond hij. Maar zo ging het wel vaker met feestjes op het werk. Hij staarde geconcentreerd naar het zwarte asfalt voor zich en zong luidop om wakker te blijven. En toen, heel plots, zag hij haar. Een jong meisje, aan de kant van de weg, bezorgd wuivend. Even vroeg hij zich af of het wel een goed idee zou zijn om te stoppen. Hij was helemaal alleen, op zo een eenzame weg... Misschien was het wel een valstrik. Misschien zaten er handlangers in de struiken te wachten, klaar om toe te slaan. Maar toen hij de bange ogen van het meisje zag, toen hij zag hoe jong ze was - hij had zelf een dochter van zeventien, en welk onmens zou haar nu
laten staan? - vertraagde hij. En stopte. Het meisje, zichtbaar opgelucht, kwam naar de wagen gerend. Ze droeg een satijnen baljurk met een dunne sjaal om haar schouders. Haar haren waren hier en daar ontsnapt aan de veel te ouwelijke wrong op haar hoofd. Ze opende het portier achteraan en stak haar hoofd naar binnen. 'Zou u me een lift naar huis willen geven, alstublieft? Ik wacht hier al zo lang en het is koud...'. De man knikte en nodigde haar uit om in te stappen. 'Waar woon je?', vroeg hij. 'Op de Molenweg, nummer zeventien'. De man knikte teveden. Dat lag mooi op zijn weg. Of toch bijna. Die ene zijstraat kon hij er wel bijnemen. Het meisje ging op de achterbank zitten. Ze rilde van de kou. 'Hier', zei hij, 'neem mijn jasje maar'. Ze glimlachte dankbaar en drapeerde het jasje om haar schouders. Hij begon te rijden en keek af en toe door de achteruitkijkspiegel naar haar. Het liefst wilde hij haar vragen wie ze was, waar ze vandaan kwam, wat ze zo laat helemaal alleen deed op die landweg. Maar er was iets in haar voorkomen dat hem het zwijgen oplegde. Na een tiental minuten bereikte hij de Molenweg. Hij wilde inslaan, maar zij hield hem tegen. 'Dank u', zei ze, 'de rest loop ik wel'. Voor hij
kon protesteren, opende ze de portier en sprong uit de wagen. En weg was ze, in één-twee-drie op geslokt door de duisternis. Hij begon weer te rijden, maar zijn hoofd was helemaal vol van het meisje. Hij probeerde het gepieker van zich af te schudden. Ruzie gekregen met haar vriendje en onderweg uit de auto gestapt. Zoiets moest het zijn. Pas toen hij zelf uit de auto stapte en de kou venijnig door zijn hemd voelde prikken, besefte hij dat ze zijn jasje nog had. Niet erg. Hij zou het de volgende morgen wel ophalen. Molenweg zeventien. Al vroeg in de ochtend reed hij de Molenweg op en stopte hij bij nummer zeventien. Hij belde aan en aan de deur verscheen ee vermoeid ogende, grijze vrouw. Hij knikte haar toe. 'Goeiemorgen, ik heb vannacht uw dochter thuisgebracht, maar ik vrees dat zij mijn jasje nog heeft. Hebt u het toevallig niet gezien?'. De ogen van de vrouw werden groter en toen
schudde ze langzaam het hoofd. Ze glimlachte triest. 'Mijn dochter is dood, mijnheer'. De man verstarde. 'Maar hoe kon dat...', stamelde hij. Zijn stem stierf weg, toen hij door een kier in de deur een foto zag van
het meisje: de satijnen baljurk, de sjaal, het opgestoken haar, en naast haar de vrouw die hier nu voor hem stond. Stukken jonger, met stralende ogen en donkere haren. 'Dat is ze, ja, samen met mij', zei de vrouw
zacht. 'Het is de laatste keer dat ik haar zag. Gisteren was het precies tien jaar geleden dat ze naar het schoolbal ging. Ze kwam nooit meer thuis. Op de terugweg gebeurde een auto-ongeluk. Ze was op slag dood'.
De man fluisterde een verontschuldiging en ging weg. Totaal verdwaasd ging hij in de wagen zitten en startte de motor. En toen reed hij langs het kerkhof. En hij keek, zomaar. Over een grafsteen hing een jasje.
Zijn jasje. Hij nam het en de inscriptie op het graf kwam tevoorschijn: 'Voor ons enige kind, teder geliefd en diep betreurd. 1964 - 1980'. Alweer was ze er niet in geslaagd thuis te komen.